Google
 
 
een project van
Cees & Co
 

   
Top 20
Samenstelling
Persoonlijke top 10
Boekenrecensies
Schrijvers in spe
Boeken
Top 20
Top 100
Schrijvers
Boeken
Literatuurprijzen
E-mail

Wilde lucht
Auteur(s): Anna Coudenys
[klik hier voor meer info over Anna Coudenys]

 

> bekijk een grote foto
Type: Hardback
Uitgever: Afijn
Amsterdam
Publicatie jaar: 19
Taal: Ned
Opbouw: 264 p. , 22 cm
Genre(s): Fictie 15+
Kinderboeken, stripverhalen
Proza (romans/novellen)
ISBN: 9789059330801
Prijs:
€ 19.95 (proxis)
€ 19.95 (bruna)  
€ 19.95 (libris)  
€ 19.95 (ako)  
> Maak en/of lees recensies van lezers

Boekenmarktplaats
Bent u op zoek naar dit boek? Plaats een gratis advertentie
Wilt u dit boek verkopen? Plaats een gratis advertentie

Beschrijving

Reacties van lezers
Voeg zelf een reactie/recensie/bespreking toe
geweldig geplaatst op 30-03-2010
Door: vera
Dit is echt een heel leuk boek. Mijn lievelingsschrijver is Per Nillson, maar Anna Coudenys komt daar toch ook wel dicht bij in de buurt! Ik houd van dit soort boeken waarbij je veel kan nadenken en het verhaal nog lang in je hoofd blijft spoken.

sueprboek! geplaatst op 24-01-2010
Door: Marieke
Echt een superboek!
I love it!!

Wilde Lucht geplaatst op 14-03-2009
Door: lissa
toen ik aan het boek begon wist ik voor een paar seconden niet wat me overviel.
de vele uitdrukkingen die ze gebruikte, of de eerder moeilijkere woordsvormen die ze er aan toevoegde maakten het boek ongelofelijk compleet en wijs. ik heb het in één dag uitgelezen. ik bleef maar lezen, met een koptelefoon op mijn hoofd , luisterend naar haar muziek. het was echt een mijlpaal, een kleine of grote maakt niet uit, in mijn leven. ik had dan ook geweens op het einde, misschien een beetje soft. maar uiteindelijk, ja. uiteindelijk was het echt wel veel te prachtig en de vele emoties die het bij me opwekte met Lennert enzo .. hoja. (: prachtig zeg ik dan. ik ben zelf 15 en ik begreep dat het een boek met niveau is. en toen ik de auteursnaam moeilijk kon onthouden zei ik: 'een naam heeft geen belang in mijn gevoel van grootsheid'

chapeau. x

geplaatst op 24-11-2008
Door: Maartje
Dit boek is briljant, een van de beste jeugdboeken die ik ooit heb gelezen. Als je van dit genre houdt (bijv. ook van de boeken van Per Nilsson) moet je deze zéker lezen.

wauw geplaatst op 02-11-2008
Door: Nienke
Echt een van de mooiste boeken die ik ooit gelezen heb.

Wilde Lucht geplaatst op 18-05-2008
Door: Ilse van Veen
Ik vind het echt een heel mooi boek. Eerst snapte ik er niet zo veel van maar toen ik verder las viel de puzzel steeds verder in elkaar. Ik ga mijn boekbespreking er over houden. Het is zo geschreven dat het niet gaat vervelen en tot het einde zit het vol met onverwachte dingen. Daarom blijf je ook verder lezen, je wilt altijd weten wat er gebeurd is, waarom ze haar gedachten moet opschrijven.

lees hieronder de legende achter de titel:

Het was zo’n winternacht, de noordenwind gierde langs de tipi’s en zelfs de grote, wijze boom Mamosa in het midden van het tentendorp scheen te beven onder het geweld van de storm. Het verhaal ging, dat Mamosa 627 jaar oud was en dat, als hij ooit zou sterven, de Quigong indianen voorgoed zouden ophouden te bestaan. Iedereen hield van de boom en koesterde hem want hij was de levensboom van de hele stam. De kinderen speelden verstoppertje in zijn hoge, brede takken, de vrouwen vilden beren in de schaduw van zijn gebladerte en de mannen zaten ’s avonds in zijn gezelschap hun lange dunne pijpen te roken en zwijgend voor zich uit te staren.

Een verschrikkelijke stormnacht was het toen Stormwind en Wilde Lucht geboren werden en aan die stormnacht hadden ze hun namen te danken. Ze kwamen op hetzelfde moment op aarde, hun schreeuw klonk tegelijkertijd boven het huilen van de wind uit en er ging een siddering door het dorp. Iedereen voelde dat dit een magisch moment was.

De vader van Stormwind was stamhoofd. Wilde Lucht zou in de voetsporen van zijn vader treden die houtbewerker was en de scherpste pijlen ooit maakte waarmee het hart van de bruine beer in één schot doorboord werd. Hun moeders waren vriendinnen en wasten elkaars ravenzwarte haren in de waterpoel, terwijl de papooses lagen te spartelen op een deken van berenhuid.

Stormwind en Wilde Lucht groeide op als gewone, sterke jongens van de stam, ze leerden jagen van hun vaders, die dat op hun beurt van hun vaders geleerd hadden, en niets wees erop dat beide jongens de kunst van het jagen niet zouden doorgeven aan hun kinderen, en die kinderen aan hun eigen kinderen en zo verder, tot het verre einde der tijden.

Stormwind hield het meest van paardrijden. Hij had zijn dier zijn eigen naam gegeven en als iemand over Stormwind sprak, was het nooit helemaal duidelijk of nu het paard of het dier bedoeld werd. Als Stormwind op de rug van Stormwind galoppeerde was het alsof er geen verschil was tussen jongen en dier. Het bruin van zijn huid vermolt met de bruine paardenvacht, zijn donkere haren vermengden zich met de manen van het dier. Ze galoppeerden zo snel de Stormwinds poten de aarde niet meer schenen te raken. Maar vaak keek de jongen verlangend naar omhoog, daar waar de adelaar cirkelde. Soms, als Wilde Lucht en Stormwind door de valleien draafden, gaf Stormwind zijn paard een klap op zijn flanken en gaf een felle kreet, zoals de adelaar daarboven en ging ervandoor, zo snel dat Wilde Lucht hem niet kon bijhouden. Eindeloos zou Stormwind hebben kunnen blijven galopperen.

“Tot het einde van de wereld,” zei hij tegen zijn vriend. “Op een dag blijf ik rijden tot voorbij de rand van de wereld.”

Wilde Lucht lachte: “dan val je er af.”

“Dan vlieg ik,” zei Stormwind. “Als ik blijf vallen, dan vlieg ik.’

“Je hoeft niet te vliegen,” suggereerde Wilde Lucht voorzichtig. “Je kan ook dromen.”

Maar Stormwind schudde het hoofd. Wilde Lucht leerde hout snijden van zijn vader. Hij leerde snel, maakte handige drinknappen, stevige pijlen en pijlenkokers en voor de dorpsoudsten de lange dunne pijnpen die ze zwijgend rookten onder de levensboom, Mamosa. Als hij met zijn mes door het hout gleed, was hij ver weg met zijn gedachten. Hoger dan de adelaar, dieper dan het diepste meer. Maar dat gevoel kon hij niet met Stormwind delen. Voor zijn vriend kerfde hij het piepkleine maar prachtige beeld van de adelaar. Stormwind bond het aan een stuk koord en vanaf die dag hing de adelaar om zijn hals als een talisman.

En zo, terwijl de vredige rust van de indianenstam onverstoorbaar leek, vrat het vreemd, ontembaar verlangen zich een weg in het hart van Stormwind en het verlangen kreeg een gezicht. Het meisje kwam. Met haar gouden haar dat fel afstak tegen het bruin en zwart van de Quigongstam, had ze iets van een godenkind.

Ze had de naam gekregen van de maand waarin ze twintig lentes geleden geboren was. May heette ze. Samen met haar vader was ze uit het niets opgedoken, haar vader, een zwijgzame man die de stam als jongeling verlaten had om te gaan zwerven en over wie men nu fluisterde dat hij een blanke vrouw had bekend met wie hij dit gouden kind gekregen had. S

amen met de andere jongens hielpen Stormwind en Wilde Lucht een tent voor de nieuwkomers te bouwen aan de rand van het dorp. Het was een hete zomerdag en het gouden meisje bracht hen te drinken uit een nap. Eerst dronk Wilde Lucht en toen hij een grote slok genomen had, keek hij op, recht in haar diepblauwe ogen. Ze keek niet weg, lachte niet, maar staarde hem heel ernstig, heel bedachtzaam aan. Hij zag ook hoe Stormwind de nap van haar overnam, hoe haar vingertoppen de zijne raakten, hoe hij opkeek en zijn donkere ogen in de hare brandden.

Wilde Lucht voelde het vuur, hij voelde de pijn. Was het de zijne? Was het die van zijn zielsbroeder?

Wilde Lucht ging May uit de weg. Hij zorgde ervoor nooit alleen met haar te zijn. Als ze in het gezelschap van Stormwind opdaagde, dan verdween hij zo snel mogelijk. Ze is van jou, zei hij in gedachten tegen Stormwind. Ik zal je geen duimbreed in de weg leggen.

Toen de zomer op z’n einde liep en Mamosa zijn eerst bladeren goudbruin liet kleuren, stapte ze op hem toe terwijl hij voor zijn tipi aan het werk was.

“De adelaar, die Stormwind op zijn borst draagt, heb jij die gemaakt?”

Hij knikte, durfde niet opkijken.

“Maak je er ook zo een voor mij?”

Identiek dezelfde adelaar? Als teken van de band die tussen haar en Stormwind ontstaan was? Elke kerf die hij in het hout maakte, was een kerf in zijn ziel. Hield hij genoeg van zijn vriend om de diepe liefde die hij zelf voor het meisje May voelde, op te geven in naam van hun vriendschap? Hij had geen keuze. De band tussen ons is sterker dan de liefde voor een vrouw, dat wilde hij tegen Stormwind zeggen, maar ook die woorden bleven onuitgesproken tussen hen.

“Heb je het beeldje af?”

Dagen later, in de schemering van de koele herfstavond, stond ze er opeens weer, hurkte belangstellend naast hem neer. Hij legde zijn mes opzij. Hij kroop de tipi in om het beeldje te halen, maar ze kwam hem achterna. Ze nam het uit zijn hand en deed geen moeite om hem niet aan te raken. Tot zijn verbazing gaf ze hem het beeldje meteen terug.

“Het is het jouwe,” zei ze. “Jouw adelaar.”

En ze boog zich voorover en kuste hem op de mond. “Ik heb jouw dit beeldje laten maken in de hoop dichter bij jou te komen,” fluisterde ze. “Je bent al die maanden zo afstandelijk en zwijgzaam geweest, ik moest een manier vinden om je alleen te ontmoeten…” En ze kuste hem opnieuw.

Het kostte hem moeite haar van zich af te houden. “Stormwind…”

Ze begreep hem meteen en zei zacht: “Hoe kan ik hem liefhebben zonder ook van jou te houden?”

Hij schudde het hoofd. “Nee, May, nee, het kan niet!” Het klonk als het gebazel van een kind. “Het zal ons verteren, het zal ons verscheuren!”

Het was te donker om haar ogen nog te zien, maar hij wist wat haar blik hem wilde zeggen. “Het verscheurt me nu al…” Het was te laat.

Het was te laat geweest vanaf het eerste moment dat zij drieën elkaar in de ogen hadden gekeken. Wist Stormwind het? Had May hem iets verteld?

De volgende dag nodigde hij Wilde Lucht uit voor een rit te paard. Dat was heel lang geleden. Er woei een felle wind door de valleien en paarden en ruiters moesten zich ademloos een weg vechten door het hoge gras. Ze reden lang en ver, tot ze bij een diepe afgrond kwamen. Daar hield Stormwind halt. Wilde Lucht zag hoe hij rilde en hij had het zelf ook koud, koud van binnen, koud van angst.

“Hou je van haar?” vroeg Stormwind. Wilde Lucht sloeg zijn ogen neer.

“Het kan zo niet verder,” sprak Stormwind. “Het moet ophouden.” Was Stormwind eenvoudigweg jaloers op de kus die ze van zijn vriend gestolen had?

“Ik heb het nooit gewild…” mompelde Wilde Lucht. “Het moet ophouden,” zei Stormwind, krachtiger nu.

“Het is opgehouden voor mij,” probeerde Wilde Lucht hem gerust te stellen. “Het is nooit begonnen.” Maar Stormwind schudde heftig het hoofd en de pijn was er terug in alle hevigheid, onvatbaar, dominerend. Een naamloze doem legde hen het zwijgen op. Stormwind reed niet mee terug naar het dorp, hij bleef staan, zijn armen gevouwen, uitkijkende over de valleien in de diepte. Die nacht wakkerde de wind aan zoals nooit te voren, ze huilde en krijste langs de tipi’s als een vrouw gedreven door de waanzin, rukte scheuren in de huiden van de tenten, bracht de mannen en vrouwen bevend bij elkaar in de grote gemeenschapstent. Stormwind was nergens te bekennen en ook May was er niet. Toen iemand naar haar vroeg, antwoordde haar vader dat ze weggereden was op haar paard, diezelfde ochtend, en niet meer was terug gekomen, dat ze onbegrijpelijke woorden had gesproken: “Het kan niet verder, dit moet ophouden…

” “Waar is Stormwind, je zoon?” vroeg een ander aan het stamhoofd. Maar het stamhoofd zweeg en keek met nietsziende ogen voor zich uit. En toen de wind naar adem scheen te happen en het krijsen even ophield, barstte het onweer los. Fel flitsten de bliksems neer op het dorp, hevig knetterden de donderslagen. De angst greep Wilde Lucht bij de keel. Stormwind! De doem was geschied! Opeens kwam de laatste donderslag, de laatste bliksemschicht. Ze verlichtte de tent tot in de verste hoeken, alle bange bleke gezichten laaiden één moment op.

Toen brak Mamosa. Ze scheurde uit elkaar onder de bliksemschicht die haar diep en dodelijk in haar wortels raakte, viel uiteen, schoot in brand. Als bij wonder werd niemand lichaam gewond, maar de wonde in de geest van de jonge Quigong indiaan Wilde Lucht was even dodelijk als de slag die Mamosa was toegebracht. Toen even later het paard Stormwind ruiterloos het dorp binnenraasde, was hij zeker dat het einde geslagen was.

Stormwind had zijn paard gespaard en was alleen de dood in gesprongen. Het stamhoofd had geen opvolger meer en het einde van Mamosa zou het einde van de Quigong betekenen. Dat wilde de legende. Wilde Lucht wachtte niet op de dageraad om naar het Zuiden te vertrekken. Hij was ervan overtuigd dat de dagen van de Quigong stam voorbij waren. Iedereen zou vertrekken, voorgoed. Ze zouden een zwervend volk worden, versplinterd, verscheurd.

Het enige wat hij meenam, was een zadeltas vol stukken hout van de dode levensboom, het beeldje van de adelaar en het paard van zijn vriend. Zo zou hij Stormwinds naam kunnen blijven noemen telkens als hij het paard riep. Hij reisde ver en onvermoeibaar, dagen en nachten lang zonder te rusten.

Tot hij de eerste huizen tegenkwam, echte houten huizen, geen tenten. Er woonden blanken, blanke vrouwen ook, met hetzelfde gouden haar en blauwe ogen als May. Hij wist dat dit de plaats was. Met afvalhout bouwde hij voor zichzelf een hut aan de rand van het kleine dorp. Uit de kostbare stukjes hout van de dode levensboom sneed hij voorwerpjes om aan voorbijgangers te verkopen.

Was het de magie van het Mamosa-hout waardoor de blanke dorpelingen hun vrees en afkeer voor de donkere, zwijgzame indiaan overwonnen? Iedereen aan wie hij een voorwerp verkocht, kwam terug en bracht anderen mee om drinkbekers, kommen, lepels en ander huisgerei te laten maken. In ruil voor zijn vakmanschap brachten de vrouwen van het dorp hem bovendien vaak groenten, vruchten, melk, en ander voedsel dat hij met een dankbare glimlach aanvaardde. Wilde Lucht verlangde. Zijn verlangen was diep en duister, en hij wist nog steeds niet of het zijn eigen verlangen was of dat van zijn dode zielsbroeder dat binnenin hem wortel had geschoten. Hij koos het mooiste stukje van Mamosa uit en gaf zijn verlangen vorm. Zeer zorgvuldig kerfde hij haar beeld, haar lange haren, haar grote ogen, de fijne trekken van haar gezicht. Toen hij de laatste vouwen van haar kleed in het hout had uitgesneden, stond ze voor hem.

Wie had ze verwacht? Een man met een beeldje van een adelaar om zijn hals en een paard dat Stormwind heette. Had ze Stormwind verwacht? Hij zou het nooit te weten komen. Ze sprak niet maar keek hem in de ogen en het diepe vuur dat al die jaren binnenin hen had gebrand, flakkerde op. Ze nam voorzichtig het beeldje uit zijn handen en legde zijn handen om haar middel, op precies dezelfde wijze als hij het beeldje had vastgehouden. Ze was ouder geworden, haar gelaatstrekken scherper, haar huid bleek doorschijnend, ze zag er moe uit, moe van een verdriet dat nooit verwerkt zou worden.

Hij moest haar van Stormwind vertellen, ook al zou ze daarna voorgoed van hem weggaan, maar ze knikte alleen alsof ze al wist wat er gebeurd was en drukte zich steviger tegen hem aan. Ze bleef en later bouwde hij een grotere hut voor haar en voor het kind dat er na negen maanden zou komen. Was dit geluk? Wilde Lucht wist het niet. Hij zag het kind groeien in haar buik en met het kind groeide er een nieuw verlangen: dat naar het land van zijn voorvaderen, naar de gebroken levensboom, de eenzame valleien waar nu de arend en de beer vrij spel hadden in plaats van de eens zo machtige Quigong.

“Als het kind geboren is, gaan we terug,” fluisterde hij haar toe terwijl ze op het kraambed lag. Ze knikte en greep zijn hand vast. Haar huid was vaal geworden, haar gebaren traag en vermoeid, de laatste restjes van haar levenslust had ze doorgegeven aan het kind in haar. Verlangde ze naar Stormwind? Kon zelfs de belofte van een kind dat verlangen niet opheffen? Ze stierf met het pasgeboren meisje in haar armen.

“Ik zal je noemen naar je moeder,” zei Wilde Lucht tot het krijsende kind en hij huilde met haar mee. Met de laatste stukje Mamosa-hout maakte Wilde Lucht een miniatuur Quigongdorpje voor kleine May. Kleine tipi’s, papa’s, mama’s en indianenkindjes, een klein paardje dat Stormwind heette en een levensboom met een machtige brede stam, in het midden gespleten tot diep in zijn wortels.

Toch stond hij nog fier rechtop, twee-in-één , spreidde zijn armen beschermend over tipi’s en mensen uit. May was een ernstig kind met grote, verwonderde ogen. Ze was beleefd en rustig en liet zich gewillig bemoederen door de vrouwen van het dorp die haar vaak meenamen om haar extra te voederen met vlees en aardappelen, haar een jurkje aan te passen en haar lange zwarte haren te vlechten.

Pas toen Wilde Lucht zeker was dat zijn dochter de barre reis zou overleven, pas toen ze een stevige, mollige kleuter geworden was met een roze blos op haar wangen, zadelde Wilde Lucht zijn paard. Stormwind was oud geworden: dit zou zijn laatste reis zijn. Hij droeg het kind en de man gewillig, de volle zadeltassen met benodigdheden voor het kind, de juten zak met het houten speelgoeddorp.

“Waar gaan we naartoe, papa?” Het was bijna zomer en in de langer wordende dagen was de reis naar het Noorden rustig en wars van avontuur.

“Naar het land van de echte Mamosa.”

“De Mamosa die geraakt was door een vreselijke bliksem, in twee gespleten is en opnieuw ging bloeien?”

“Nee, mijn liefje, de echte Mamosa is dood.” May haalde de miniatuurboom uit haar speelgoedzak en keek haar vader fronsend aan. De weg terug was de weg door de hel van Wilde Luchts herinnering. Het kind hield hem recht met haar eindeloze vragen en haar mateloos vertrouwen. Het paard Stormwind wist de weg en leidde hen over de grote vlaktes naar het groene heuvelland in het Noorden. Hoog en weelderig groeide het gras in de vallei van Wilde Luchts jeugd. Het paard volgde de rivier.

Daar, achter de bocht zou het open terrein liggen waar ooit de tipi’s van de Quigong zich verzameld hadden. De zon scheen fel in Wilde Luchts ogen, hij moest ze dichtknijpen, ze begonnen te tranen, hij zag duizenden sterren weerspiegeld in het dansende water van de rivier, in zijn oren suisde een vreemde bries die het gejoel van kinderstemmen met zich meedroeg, hij hoorde zijn dochter schreeuwen: “Mamosa, Mamosa!”, voelde hoe Stormwind tot een halt kwam. Hij sloeg zijn handen tegen zijn oren. De stemmen, de stemmen! Laat de stemmen ophouden!

Het kind trok aan zijn mouw. “Papa, kijk, kijk!” Het geschater werd luider, nu waren er ook volwassen stemmen die hem aanspraken in de taal uit een verre, mooie droom. Hij opende zijn ogen. Ze stonden in de schaduw van hoge takken in het midden van een bonte wirwar van tipi’s. Kleine May zwaaide met haar miniatuurboom. “Zie je wel papa, zie je wel!” Hij zag Mamosa, gewond tot diep in zijn wortels, zijn stam gespleten, zwartgeblakerd en gescheurd. Maar hij stond trots overeind, twee-in-één en spreidde nog steeds zijn beschermende armen over de tipi’s van de Quigong. May sprong in de armen van haar grootvader. “Welkom thuis, Wilde Lucht. We hebben op je gewacht!"

geplaatst op 11-12-2007
Door: Luna Heuvingh
ik vind het ook een heel mooi verhaal! eerst vond ik hem wel een beetje lastig. omdat ze veel emotionele gedachtes had. dit was de eerste keer dat ik een beetje een psychologisch boek ging lezen en dat bevalt me wel! heel mooi geschreven anna coudenys!

geplaatst op 11-12-2007
Door: lisa van gisbergen
wel een mooi verhaal als je het hebt gelezen. maar wel heel erg pshygologisch. Dat mag wel minder.

wilde lucht geplaatst op 18-10-2006
Door: Anoniem
ik wist niet wat me overkwam met dit boek, het was een soort wervelwind vol met emoties. ik huil niet zo vaak bij boeken maar hier heb ik heel hard mee geweend op het einde. ik vond de muziek ook mooi maar die hoefde niet echt. toen het boek uit was vond ik het jammer en wilde ik opnieuw beginen. het is een verdrietig boek en toch ook weer niet echt omdat je weet dat het meisje veel sterker is geworden. het leek wel alsof ik haar echt kende op het einde en ik vond het echt wel de moeite waard.